Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels zijn opgesteld tijdens de Synode van Dordrecht (1618-1619), een van de belangrijkste kerkvergaderingen in de protestantse geschiedenis. De synode werd bijeengeroepen om het theologische geschil tussen remonstranten (volgelingen van Jacobus Arminius) en contra-remonstranten (strikte calvinisten) te beslechten. Het geschil draaide om de leer van de predestinatie: kiest God wie er gered wordt, of heeft de mens een vrije wil? De remonstranten verdedigden het standpunt dat Gods verkiezing afhankelijk is van het voorziene geloof van de mens. De contra-remonstranten leerden dat God soeverein en onvoorwaardelijk verkiest. De synode, bijgewoond door afgevaardigden uit heel Europa, besloot in het voordeel van de contra-remonstranten. De Dordtse Leerregels behandelen vijf hoofdpunten, samengevat in het Engelse acroniem TULIP: Total depravity (totale verdorvenheid), Unconditional election (onvoorwaardelijke verkiezing), Limited atonement (beperkte verzoening), Irresistible grace (onweerstaanbare genade), en Perseverance of the saints (volharding der heiligen). De Dordtse Leerregels vormen samen met de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis de Drie Formulieren van Enigheid, de belijdenisgeschriften waarop gereformeerde en reformatorische kerken in Nederland zijn gegrondvest. De synode besloot ook tot het maken van een nieuwe Bijbelvertaling, de Statenvertaling.
Advertentie