Kinderdoop of volwassendoop?
De vraag of kinderen gedoopt moeten worden of dat de doop alleen voor gelovige volwassenen is, is een van de meest besproken thema's in de kerkgeschiedenis. Beide standpunten hebben Bijbelse en theologische argumenten. Voorstanders van de kinderdoop (rooms-katholieken, PKN, gereformeerden, lutheranen) wijzen op Gods verbond met zijn volk, vergelijkbaar met de besnijdenis in het Oude Testament. Door de doop wordt het kind opgenomen in de gemeente en onder Gods belofte geplaatst. De ouders en doopgetuigen beloven het kind in het geloof op te voeden. Op latere leeftijd kan het kind door belijdenis deze doop persoonlijk bevestigen. Voorstanders van de volwassendoop (baptisten, pinkstergemeenten, veel evangelische kerken) benadrukken dat de doop in het Nieuwe Testament altijd volgt op persoonlijk geloof en bekering. Een baby kan niet geloven, dus kan niet gedoopt worden, zo redeneren zij. De geloofsdoop door onderdompeling symboliseert het sterven en opstaan met Christus. In de praktijk wordt een eerder gedoopt kind dat overstapt naar een baptistengemeente doorgaans opnieuw gedoopt (of liever: voor het eerst als gelovige gedoopt). Omgekeerd erkennen kinderdopende kerken de volwassendoop maar beschouwen een herdoop van een als kind gedoopte persoon als onnodig. Sinds 2012 erkennen zeven Nederlandse kerkgenootschappen elkaars doop wederzijds, wat overstappen makkelijker maakt. Het debat over de doopvorm gaat echter onverminderd door en raakt aan fundamentele vragen over geloof, genade en vrije wil.
Advertentie